Er zijn de volgende aandachtspunten in een beeldende kunsten beleid:

Productiebeleid
Om beeldende kunstproductie te faciliteren dienen ateliervoorzieningen. Dat is primair een gemeentelijke aangelegenheid. Tot dusver zijn er een aantal grotere gemeenten die een dergelijk beleid voeren, door uitwisseling van data en voorbeeldfuncties kunnen meerdere gemeenten bij het atelierbeleid worden betrokken.

Heikel punt is de inkomenspositie van kunstenaars: tussen 2017 en 2019 was het mediane jaarinkomen van deze groep ZZP’ers € 14.000 bruto. Hier gaan de productiekosten nog van af. Betaalbaarheid van atelierruimten is dus een voorwaarde (richtlijn is max. € 50 per m2 per jaar).

 

Presentatiebeleid
Productie van kunst wordt pas zinvol wanneer ook een publiek wordt bereikt. Daartoe dienen presentatie-instellingen en musea. Met name de eersten staan dicht bij de lokale kunstenaars en hun publiek. Ook dit is verbonden met lokaal, ihb gemeentelijk beleid, liefst fijnmazig, inclusief wijken en dorpen. In het financieren van beeldende kunst geven de gemeenten van het budget ‘Decentralisatie-Uitkering Beeldende Kunst en Vormgeving’ nu 63 procent uit aan musea (Vinkenburg et al. 2018). Het aandeel van presentatie-instellingen stijgt, maar komt met 8 procent nog lang niet in de buurt.

 

Circulatiebeleid
Vanuit een regionaal overzicht van kunstaanbod en presentatieruimten ontstaat de mogelijkheid om tentoonstellingen en andere presentaties over de regio (en naburige) te doen circuleren. Het mes snijdt dan van meerdere kanten: de kunstenaar krijgt meer kansen om zich publiek te verwerven; het publiek krijgt meer keuzemogelijkheden; de presentatieruimten krijgen meer mogelijkheden om een afwisselend beleid op te zetten; de gemeenten om zich te presenteren met een culturele visitekaart.

 

Educatief beleid
Presentaties kunnen worden aangevuld met workshops en lezingen, te verzorgen door betrokken kunstenaars, door kunsthistorici, e.d. Voor de actieve kunstbeoefening zijn er creativiteitscentra, maar er worden ook veel cursussen gegeven op ateliers van kunstenaars. Al dat cursusaanbod kan per gemeente worden aangewend als pool, waaruit het lager en middelbaar onderwijs keuzen kan maken om het eigen lesprogramma aan te vullen.

 

In een samenhang gebracht noemen we dit een Platformbeleid

Platformbeleid kan het best worden ingericht als Bottom-up beleid.
Basis is de actieve participatie van kunstenaars en kunstlievende burgers, die door de gemeenten worden gestimuleerd, gecoördineerd en gefaciliteerd.

Een trap hoger, op provinciaal niveau, is intergemeentelijke coördinatie beleidsdoel, o.a. de vorming van regionale netwerken, daarbij het faciliteren van interactie en uitwisseling.

Op nationaal niveau spitst de regie zich toe op interactie tussen de provincies onderling en op internationale uitwisseling. Voorts de uitvoering van de ‘Fair Practice Code.’ En het monitoren of, hoe en waar er gaten vallen in het weefsel, teneinde deze te dichten.